Inzake de toepassing van het principe van de eenheid van loopbaan: zoals de wet het voorziet toelaten om de minst voordelige overtallige jaren uit de loopbaan weg te laten, ongeacht of deze jaren in het stelsel der werknemers of zelfstandigen gepresteerd werden – zie p.66 voor een grondige studie
De wet van 11 mei 2003 heeft een belangrijke wijziging aangebracht in het principe van de eenheid van loopbaan. Wanneer het totaal van de loopbaanbreuken de eenheid overschrijdt, worden de minst voordelige jaren uit de loopbaan als werknemer of zelfstandige weggelaten zodat de totale loopbaan teruggebracht wordt tot de eenheid. Het doel van deze wettelijke bepaling is om aan de gepensioneerde het hoogst mogelijke pensioenbedrag toe te kennen ongeacht het feit of hij een homogene of een gemengde loopbaan heeft.
Het uitblijven van een uitvoeringsbesluit van deze wet maakt tot vandaag de toepassing door de betrokken pensioendiensten (RVP en RSVZ) onmogelijk.
Het College beveelt dan ook aan de bevoegde overheden aan om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de teksten van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 11 mei 2003 zo snel mogelijk in het Belgisch staatsblad te publiceren en om na te gaan of er aan de bepalingen een terugwerkende kracht kan gegeven worden.
Inzake de beperking van het overlevingspensioen tot het bedrag van de IGO tijdens de periode van cumulatie met een vervangingsinkomen: de bepalingen die deze beperking regelen in die zin aanpassen zodat duidelijk gesteld wordt of er al dan niet moet overgegaan worden tot de aanpassing van het beperkte bedrag van het overlevingspensioen tijdens de periode van cumulatie met een vervangingsinkomen aan de evolutie van het bedrag van de IGO buiten index – zie p.164 voor een grondige studie.
Het overlevingspensioen in de regeling voor werknemers, zelfstandigen of in de openbare sector kan gedurende een periode van maximaal twaalf maanden gecumuleerd worden met een vervangingsinkomen. In de drie stelsels stelt een identieke bepaling dat het bedrag van het overlevingspensioen gedurende deze periode beperkt moet worden tot het bedrag van de IGO.
In tegenstelling tot de PDOS en het RSVZ komt de RVP op basis van deze identieke bepalingen tot een verschillende werkwijze. De RVP meent immers dat het overlevingspensioen voor de ganse periode moet beperkt worden tot het bedrag van de IGO zoals dit vastgesteld en betaalbaar was op de begindatum van de cumulatie van het overlevingspensioen met een vervangingsinkomen. De PDOS en het RVSZ laten het bedrag van het beperkte overlevingspensioen mee evolueren met de evolutie van de IGO tijdens deze periode.
Deze verschillende houding is voor de gepensioneerden wiens overleden partner een gemengde loopbaan had verwarrend en geeft aanleiding tot veel onzekerheid.
Het College beveelt dan ook aan om de bepalingen die de beperking van het overlevingspensioen tot het bedrag van de IGO regelen in die zin aan te passen zodat duidelijk gesteld wordt of er al dan niet moet overgegaan worden tot de aanpassing van het beperkte bedrag van het overlevingspensioen tijdens de periode van cumulatie met een vervangingsinkomen aan de evolutie van het bedrag van de IGO buiten index.
Inzake de wijze van het indienen van een aanvraag, de datum van de aanvraag, de ingangsdatum van het pensioen vóór de leeftijd van 65 jaar en de regels inzake de polyvalentie in het stelsel van de DOSZ: de bepalingen van de wet van 17 juli 1963 duidelijk maken zodat er op die vlakken geen juridische onzekerheid meer bestaat – zie p.158 voor een grondige studie.
In het pensioenstelsel van de wet van 17 juli 1963 is de normale pensioenleeftijd vastgesteld op 65 jaar voor alle aangeslotenen (mannen en vrouwen). De wetteksten (artikel 20, 4de lid) bepalen dat het pensioen ten vroegste verschuldigd is vanaf de leeftijd van 65 jaar en in geen geval voor de datum van de aanvraag.
Voor de aanvragen die tot doel hebben het pensioen vervroegd, ten vroegste 5 jaren voor de leeftijd van 65 jaar zoals voorzien in artikel 20, 5de lid, te bekomen voorziet de wet geen bijzondere modaliteiten.
Dit wettelijk vacuüm is een bron van juridische onzekerheid in die zin dat door het gebrek aan duidelijke en precieze regels verschillende interpretaties naast mekaar kunnen bestaan tussen dewelke geen enkele jurisprudentie toelaat een beslissing te nemen.
Voorts bevat de huidige reglementering geen duidelijke bepalingen inzake de wijze van het indienen van een aanvraag, de datum waarop een aanvraag kan ingediend worden, de vaststelling van de ingangsdatum van het pensioen vóór de leeftijd van 65 jaar, de polyvalentie.
Het College beveelt aan de bevoegde overheden aan om de wet van 17 juli 1963 in die zin te wijzigen dat het duidelijk is hoe de ingangsdatum van de pensioenen die aangevraagd worden vóór de leeftijd van 65 jaar moet vastgesteld worden, meer bepaald door te verduidelijken of een terugwerkende kracht aan de aanvraag kan gegeven worden of echter dat de ingangsdatum de datum van de aanvraag niet mag voorafgaan.
Het College beveelt verder aan om in de wetgeving alle nuttige wijzigingen aan te brengen zodat er geen twijfel meer is over de wijze waarop een aanvraag kan ingediend worden, de datum van de aanvraag, de ingangsdatum van het pensioen vóór de leeftijd van 65 jaar en de regels inzake polyvalentie.
In het pensioenstelsel van de openbare sector gaat het rust- of overlevingspensioen in wanneer het wordt toegekend, ook al wordt deze toekenning niet gevolgd door een betaling. In de pensioenregeling voor werknemers en zelfstandigen daarentegen gaat het daadwerkelijk en voor de eerste maal in wanneer het voordeel de eerste keer wordt betaald.
De wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen is gemeenschappelijk voor de drie grote pensioendiensten. Nochtans verschilt de lezing van deze wet door de PDOS van deze door de RVP of het RSVZ.
Er bestaan twee uiteenlopende interpretaties van quasi dezelfde wetteksten wat het principe van de rechtszekerheid op de helling zet en een mogelijke bron voor discriminatie inhoudt.
Het College van de Ombudsmannen voor de Pensioenen beveelt dan ook aan om deze dubbelzinnigheid op te heffen. Het nodigt de bevoegde overheden uit om de noodzakelijke wettelijke initiatieven te nemen om de wet terzake te verduidelijken en zodoende een einde te maken aan het verschil in behandeling tussen de gepensioneerden in de openbare sector en deze in de privé sector (werknemers en zelfstandigen).
Inzake vrijwillige regularisatiebijdragen betaald na de betekening van de pensioenbeslissing en de toekenning na de ingangsdatum van het pensioen van een gelijkstelling die niet onderworpen is aan de betaling van bijdragen : de ambtshalve herziening van het pensioen in de regeling voor zelfstandigen mogelijk maken – zie p. 101 voor een grondige studie
In het kader van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen is het RSVZ ertoe gehouden om ambtshalve een beslissing te nemen wanneer de regularisatie van bijdragen een invloed heeft op de pensioenrechten.
In zijn huidige formulering beoogt artikel 154, 7° van het koninklijk besluit van 22 december 1967 enkel de verplichte bijdragen voorzien in het sociaal statuut der zelfstandigen.
In de andere gevallen van regularisatie van bijdragen zoals de vrijwillige regularisatie tot gelijkstelling van de studieperiodes met een beroepsactiviteit en waarvan de betaling pas gebeurde nadat een definitieve pensioenbeslissing werd betekend is er geen ambtshalve onderzoek. In die gevallen is een uitdrukkelijke aanvraag noodzakelijk.
Deze vraag is overigens ook noodzakelijk wanneer een beslissing nadat het pensioen werkelijk is ingegaan een gelijkstelling toekent die niet onderworpen is aan de betaling van bijdragen.
Om een einde te stellen aan dit ongeoorloofde onderscheid beveelt het College aan de bevoegde overheden aan om de bovengenoemde wettekst aan te passen zodat alle gevallen die een invloed hebben op het recht op de voordelen en waarin sociale bijdragen moeten betaald worden of waarin laattijdig beslist wordt om een gelijkstelling toe te kennen die niet onderworpen is aan de betaling van bijdragen opgenomen zouden worden in de procedure van ambtshalve beslissing.
In afwachting van deze aanpassing aan de regelgeving nodigen wij alle betrokken instellingen (sociale verzekeringsfondsen, RSVZ) uit om aan de betrokkene alle nuttige informatie te geven betreffende de noodzakelijke stappen na de betaling van de regularisatiebijdragen of na de laattijdige toekenning van een “gratis” gelijkstelling.
Inzake toegelaten arbeid: enerzijds duidelijk in de pensioenreglementering definiëren wat verstaan moet worden onder “beroepsinkomen” en “per kalenderjaar” en anderzijds alle conclusies trekken uit de interpretatie die de voorkeur zal genieten meer bepaald inzake het (enkel en dubbel) vakantiegeld – zie p. 49 voor een grondige studie
In artikel 64 § 2 A, 1° van het koninklijk besluit van 21 december 1967 is het begrip “beroepsinkomen” niet duidelijk gedefinieerd.
Het concept “beroepsinkomen” van een werknemer dekt een verschillende lading naar gelang het gaat om een interpretatie verwijzend naar het sociale zekerheidsrecht, de berekening van het pensioen in de pensioenwetgeving der werknemers of het fiscaal recht en is derhalve niet éénduidig.
Het College stelt verder vast dat het niet duidelijk is wat dient verstaan te worden onder de woorden “per kalenderjaar”.
Deze onduidelijkheid vindt men ook terug in de pensioenreglementering voor zelfstandigen (artikel 107, § 2, A, 1° van het koninklijk besluit van 22 december 1967) en in deze van de openbare sector (artikel 4, 1° van de wet van 5 april 1994).
Derhalve beveelt het College de wetgever aan om alles in het werk te stellen om duidelijk te definiëren wat inzake toegelaten arbeid verstaan moet worden onder “beroepsinkomen” en “per kalenderjaar” en er de nodige besluiten uit te trekken.
In elk geval zou de wetgever rekening moeten houden met het argument dat de sommen, die een gepensioneerde naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit in een bepaald kalenderjaar ontvangen heeft, het inkomen van dat jaar uitmaken.
Indien de wetgever opteert voor de definitie van het begrip “loon” in de sociale zekerheid en de inkomsten die in aanmerking komen volgens de pensioenwetgeving voor de vaststelling van een pensioen in de regeling voor werknemers zou het dubbel vakantiegeld bij de controle van de toegelaten jaargrenzen niet meer in aanmerking mogen genomen worden als “beroepsinkomen”.
Inzake de wettelijke onmogelijkheid in het pensioenstelsel van de openbare sector om het overlevingspensioen van een eerste echtgenoot opnieuw te bekomen vóór het overlijden van de tweede echtgenoot, zelfs in het geval van echtscheiding – Verschil in behandeling tussen de pensioenstelsels
Inzake het wegwerken van ongewenste effecten van de wetgeving betreffende de pensioenbonus in het stelsel der werknemers en zelfstandigen in het geval van een gemengde loopbaan in de jaren die de ingangsdatum van het pensioen voorafgaan
Inzake het wegwerken van de ongelijke behandeling van de cumulatie van een pensioen met een uitkering wegens loopbaanonderbreking of tijdskrediet teneinde palliatieve zorgen te verstrekken, voor ouderschapsverlof of voor het bijstaan of verstrekken van verzorging aan een lid van het gezin in de openbare sector enerzijds en in het stelsel der werknemers of zelfstandigen anderzijds
Inzake het wegwerken van de uiteenlopende gevolgen van een cumulatie van een overlevingspensioen met een vervangingsinkomen in het pensioenstelsel van de werknemers, zelfstandigen en in de openbare sector – Actualisatie
Inzake de verzaking aan de terugvordering van een schuld voorziet de wet deze mogelijkheid niet voor de Pensioendienst voor de Overheidssector (PDOS) terwijl deze mogelijkheid bestaat via de Raad voor uitbetaling van de voordelen in de stelsels van de werknemers en van de zelfstandigen
Artikel 22, § 2 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde bepaalt: “De bevoegde instelling van sociale zekerheid kan, binnen de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité en goedgekeurd door de bevoegde Minister, afzien van de teugvordering van het onverschuldigde: (Opsomming van de gevallen waarin verzaking mogelijk is)”.
Op 19 juni 2008 stelde het Arbeidshof te Antwerpen in een zaak met betrekking tot de NMBS volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof:
“Schendt artikel 22, § 2 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde de artikelen 10 en 11 van de grondwet, in de interpretatie dat dit artikel enkel toepassing vindt in zoverre door het desbetreffend beheerscomité voorwaarden zijn bepaald welke werden goedgekeurd door de bevoegde Minister zodat derhalve enkel afstand van terugvordering kan worden gedaan als door het desbetreffende beheerscomité voorwaarden werden bepaald en geen afstand van terugvordering kan worden gedaan als door het desbetreffende beheerscomité geen voorwaarden werden bepaald?”
Het Hof zegt voor recht:
“Artikel 22, § 2 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde, in die zin geïnterpreteerd dat het slechts van toepassing is wanneer voorwaarden zijn bepaald door het betrokken beheerscomité en goedgekeurd door de bevoegde minister, schendt de artikelen 10 en 11 van de grondwet.
Dezelfde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat ze van toepassing is zelfs bij ontstentenis van voorwaarden bepaald door het betrokken beheerscomité en goedgekeurd door de bevoegde minister, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.”
Inzake de inkomensgrenzen voor de cumulatie van een pensioen met een beroepsactiviteit: in alle pensioenregelingen zoals vroeger hetzelfde criterium hanteren om het al dan niet toegelaten karakter van de beroepsactiviteit te evalueren, ofwel gaat het om de inkomsten per kalenderjaar ofwel gaat het om de inkomsten verworven gedurende de periode van effectieve beroepsactiviteit die respectievelijk vergeleken worden met een jaargrens of een pro rata van die jaargrens
Inzake de cumulatie van rustpensioenen van de openbare sector met een beroepsactiviteit: zoals in de regeling voor werknemers en zelfstandigen en bij voorkeur met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002, in het jaar waarin de gepensioneerde 65 jaar wordt, het jaarinkomen vergelijken met een individuele jaargrens in functie van de verjaardag
Actualisatie en uitbreiding.
Inzake de inkomensgrenzen voor de cumulatie van een pensioen met een beroepsactiviteit: overgaan tot een harmonisering inzake toegelaten arbeid in de drie stelsels
Inzake het minimumpensioen voor een gemengde loopbaan in de regeling voor werknemers: dit minimumpensioen mee laten evolueren met het minimumpensioen voor zelfstandigen
Inzake de loopbaanvoorwaarde gesteld voor de opening van het recht op een vervroegd rustpensioen: in de pensioenregeling voor de zelfstandigen dezelfde samentelling van de Belgische loopbaanjaren met loopbaanjaren in het buitenland mogelijk maken als deze in de werknemersregeling en met dezelfde terugwerkende kracht
Inzake de bevoegdheid van de Hoven en de Rechtbanken voor betwistingen in verband met de wettelijke pensioenen: de Arbeidsgerechten ook bevoegd maken voor de ambtenarenpensioenen of rond deze problematiek een haalbaarheidsstudie uitvoeren
Inzake de ingangsdatum van het rustpensioen dat laattijdig aangevraagd wordt door gerechtigden die in het buitenland wonen: het pensioen altijd laten ingaan op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de pensioenleeftijd bereikt werd
Inzake het drempelbedrag waaronder een pensioen als werknemer of zelfstandige niet toegekend wordt: in geval van gemengde loopbaan als werknemer en zelfstandige het pensioen dat kleiner is dan het drempelbedrag tóch toekennen als de som van de pensioenen als werknemer en zelfstandige het drempelbedrag overschrijdt
Actualisatie en uitbreiding.
Inzake het drempelbedrag waaronder een pensioen niet toegekend wordt: uitbreiding tot alle mogelijke situaties
Inzake oudere werknemers die een beroepsactiviteit als zelfstandige beginnen om aan de werkloosheid te ontsnappen: bij een terugkeer naar de werkloosheid de gelijkstelling van deze nieuwe periode van werkloosheid met een periode van beroepsactiviteit mogelijk maken op basis van het laatst verdiende loon als werknemer
Inzake de inkomensgarantie voor ouderen (IGO): onderzoeken of de IGO vatbaar moet blijven voor beslag wegens het niet of onvolledig betalen van het onderhoudsgeld aan de uit de echt gescheiden echtgenoot
Inzake de betaling van de pensioenen in het buitenland: de betaling op een persoonlijke rekening bij een financiële instelling mogelijk maken in zoveel mogelijk landen
Inzake gelijkstelling in de pensioenregeling voor werknemers: na overdracht van bijdragen van de werknemersregeling naar de openbare sector, de gelijkgestelde periodes in de werknemersregeling blijven berekenen op basis van de werkelijk verdiende lonen als werknemer die ingeschreven waren op de individuele rekening
Inzake cumulatie van pensioenen met vervangingsinkomens: zoals in de regeling voor werknemers en die voor zelfstandigen, ook in de regeling voor de openbare sector het pensioen slechts schorsen gedurende de periode dat de gepensioneerde een vervangingsinkomen geniet
Inzake het principe van de eenheid van loopbaan: dit principe opheffen bij samenloop van een pensioen als werknemer en/of zelfstandige met een pensioen van de DOSZ dat gevestigd is met vrijwillige bijdragen
Inzake de Inkomensgarantie voor ouderen (IGO): de wet zo aanpassen dat voor de personen opgenomen in hetzelfde rusthuis, rust- en verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis de bestaansmiddelen en de pensioenen niet gedeeld worden door het aantal personen dat dezelfde hoofdverblijfplaats deelt
Inzake de toegelaten beroepsactiviteit voor gepensioneerden: de sanctie wegens het niet afleggen van een voorafgaande verklaring afschaffen of beperken tot één twaalfde van het jaarinkomen uit beroepsactiviteit
Inzake het supplement minimum in de openbare sector: onderzoeken of de huidige cumulatieregeling voor een winstgevende activiteit als zelfstandige kan/moet behouden blijven. De huidige regeling maakt de uitoefening van een beperkte activiteit als zelfstandige quasi onmogelijk omdat er rekening gehouden wordt met het bruto-inkomen als zelfstandige
Inzake indexering van de pensioenen in de openbare sector: onderzoeken of de ongelijke behandeling van gepensioneerden die vooraf betaald en gepensioneerden die na vervallen termijn betaald worden, kan/moet gehandhaafd blijven
Inzake het gewaarborgd minimumpensioen in de openbare sector: onderzoeken of de wetgeving zodanig kan genuanceerd worden dat in geval van feitelijke scheiding beter rekening gehouden wordt met de werkelijke gezinstoestand van de gepensioneerde
Inzake de pensioenbijslag voor zelfstandigen: een gemotiveerde beslissing met recht van beroep verplicht maken
Inzake de ambtshalve herziening wegens “een dwaling omtrent het recht of de feiten” of wegens “een onregelmatigheid of materiële vergissing”: de teksten in de pensioenregeling voor werknemers, de pensioenregeling voor zelfstandigen, het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de Inkomensgarantie voor ouderen met mekaar in overeenstemming brengen
Inzake het herstellen van een fout die door de pensioendienst begaan is in het nadeel van de gerechtigde: in alle regelingen dezelfde terugwerkende kracht van het herstel invoeren
Het invoeren van de wettelijke mogelijkheid om regularisatiebijdragen voor studieperiodes die vrijwillig betaald zijn en die uiteindelijk geen pensioenvoordeel opleveren, terug te betalen
In een antwoord op een schriftelijke vraag in de Kamer van Volksvertegenwoordigers antwoordde de Minister van Pensioenen:
“In antwoord op haar vraag kan ik het geachte lid meedelen dat het onderzoek naar de eventuele wijzigingen van de regeling inzake regularisatie van de studieperiodes nog steeds lopende is. Daarbij is immers niet alleen de Rijksdienst voor Pensioenen betrokken, maar ook het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en de Pensioendienst voor de Overheidssector.”
Op een andere schriftelijke vraag in de Kamer van Volksvertegenwoordigers antwoordde de Minister:
“Ik verwijs eveneens naar het antwoord op Parlementaire Vraag nr. 182, gesteld op 12 mei 2009 door DIERICK Leen, Volksvertegenwoordigster, waar dezelfde problematiek aan de orde was. (Vragen en antwoorden, Kamer van Volksvertegenwoordigers, 3e zitting van de 52e zittingsperiode 2008-2009, Bull. nr.. 66 van 22 juni 2009, p.228).
In antwoord op uw vraag wil ik toch benadrukken dat de studieperioden gedekt door vrijwillige bijdragen, in principe, altijd in de berekening van het pensioen voor de werknemers en de zelfstandigen worden opgenomen. Dit gebeurt echter niet, in het bijzonder wanneer de loopbaan van de betrokkene de eenheid van loopbaan overschrijdt.
Het principe van de eenheid van loopbaan houdt in dat de som van de loopbaanbreuken niet méér mag bedragen dan de eenheid, namelijk 45/45. Als de eenheid wordt overschreden, worden de minst voordelige jaren niet meegeteld bij de berekening van het werknemerspensioen (bijvoorbeeld: bij cumulatie van een pensioen uit de overheids- en privésector).
Een studieperiode gedekt door vrijwillige bijdragen, blijft in principe geldig voor de toekenning van het werknemerspensioen.
Ook als, achteraf, de voorwaarde om de betaling van bijdragen na te komen niet meer zou bestaan.
Omgekeerd geldt hetzelfde voor de bijdragen die, achteraf, (bijvoorbeeld door de opbouw van een lange loopbaan bij de overheid) onnodig betaald blijken te zijn. Om die reden kan de Rijksdienst voor Pensioenen, behoudens niet-inhoudelijk verzuim, de betaalde bijdragen niet terugbetalen, zelfs als die werden betaald "zonder teruggave".
Deze redenering steunt op het juridisch principe dat volgens hetwelk een beslissing die op een bepaald moment correct werd genomen niet meer kan worden rechtgezet, noch achteraf, noch wegens een wetswijziging of een verandering van de situatie.
Dit probleem betreft slechts een beperkt aantal dossiers, te weten meestal de situaties waarbij men zowel een pensioen uit de privésector als een pensioen uit de overheidssector krijgt toegekend.
Op uw vraag om deze wetgeving met terugwerkende kracht te wijzigen moet ik dan ook negatief antwoorden.
Het principe van de eenheid van loopbaan is immers één en ondeelbaar: ofwel past men het volledig toe, ofwel niet. De verplichte bijdragen en de vrijwillige bijdragen anders behandelen kan overigens niet worden gerechtvaardigd.
Tot slot is het ondenkbaar om de eenheid van loopbaan af te schaffen in deze moeilijke budgettaire tijden.
Wat de overlevende betreft, dient men een onderscheid te maken tussen enerzijds de overlevende die zelf zijn studieperiodes heeft geregulariseerd, en in dit geval worden die periodes aan het rustpensioen toegevoegd; en anderzijds de overledene die studieperiodes heeft geregulariseerd, en die periodes worden dan opgenomen in de berekening van het overlevingspensioen. In dat geval zal het financiële voordeel behalve van de regels voor de berekening ook afhangen van de cumulatieregels.
Het huidig standpunt van de administratie is dan ook correct.
Ik vraag echter dat de Rijksdienst de principes van het behoorlijk bestuur in acht neemt. Correct handelen betekent dat, behalve voldoen aan de principes van wettelijk handelen, ook bepaalde gedragsnormen dienen te worden gevolgd zoals de billijkheid en de opmerkzaamheid.
In alle gevallen van betaling van vrijwillige bijdragen, moeten de formulieren de betrokkene informeren over de eventuele gevolgen van de toepassing van het principe van de eenheid van loopbaan voor de berekening van hun pensioen.
Bovendien moet de Rijksdienst moet op het moment van de beslissing betreffende de betaling van bijdragen nagaan of de voorwaarden met het oog op een nuttige betaling aanwezig zijn.”
In de pensioenregeling voor zelfstandigen het onderzoek van de rechten op overlevingspensioen na de ontbinding van een nieuw huwelijk niet langer afhankelijk maken van een nieuwe aanvraag
Het opleggen van een specifieke informatieplicht aan de verzekeringsmaatschappijen en de pensioenfondsen die instaan voor de pensioentoezegging van instellingen van openbaar nut
In het stelsel van de Overzeese sociale zekerheid en dat van de koloniale pensioenen ten laste van de Openbare Schatkist de gelijkstelling van de militaire diensten mogelijk maken
Het verduidelijken van het Handvest van de sociaal verzekerde: mogelijkheid of onmogelijkheid om termijnen inzake beslissing en betaling te compenseren
Het aanstellen van informatieambtenaren bij de pensioendiensten
Aanpassing van de reglementering betreffende de betaling per overschrijving van de uitkeringen betaald door de Rijksdienst voor Pensioenen en de erop gebaseerde overeenkomsten
Het doorzichtiger maken van de besluitvorming van de Raad voor uitbetaling van de voordelen en het bevoegd maken van de Arbeidsgerechten voor betwistingen in verband met de motivering van de beslissing van de Raad
Het wegwerken van een verschil in de toepassing van het principe van de eenheid van loopbaan tussen de pensioenregeling voor werknemers en die voor zelfstandigen
Ambtshalve toekenning van de pensioenrechten bij het bereiken van de pensioenleeftijd